Anke DOBERAUER 

En Flagrant Délit

Op het moment dat ik de schilderijen van Anke Doberauer zag heb ik se onzichtbaar willen maken. Het leek of de schilderijen me dwongen even niet hun tijdgenoot te willen zijn. Daarna ben ik doorgelopen, alsof ik ze niet gezien had. Pas toen ik ze vergeten was kwamen ze terug, als de echo van mijn blik, een visuele ricochet met een nauwelijks verbeeld, motorisch geluidseffect. Daar waren ze opnieuw, ik zag ze terug, maar het weerzien was een absolute revanche op de oorspronkelijke waarneming. Die was nachtelijk geweest, heimelijk, efemeer, schokkend ook eigenlijk, dit was gecorrigeerd en gecomplementeerd, dit was een (voorlopige) voltooiing: ik kon ze zien, ik kon ze, leek het, denken.

Wat ik plotseling dacht was dat de schilderijen een dubbele blik vereisten; net als, al of niet bedekte, sleutelscènes in films wachtten ze op een context van vergetelheid, voor ze opnieuw inbeeld kwamen, en zich als het ware openbaarden. Maar de schilderijen waren geen stills, ze droegen, in hun beurtelings verhulde en onthullende zeggingskracht, een hele film op hun linnen. Juist door die zwijgzaamheid zwelgden ze in onthullingslust. Misschien omdat ze bang waren te weinig te geven deden ze er een schepje bovenop. Ze stelden zich bloot. Ik heb ze op heterdaad betrapt, mar zelf ben ik ook niet helemaal ongeschonden gebleven.
 
De ontsluiering is namelijk tevens een ontluistering. De schilderijen zijn etalages met een spiegelruit. Er is sprake van een pose, een ritueel, een attitude, die door middel von der herkenning ontmaskerd worden. De toeschouwer wordt, dankzij of ondanks zichzelf, "persoonlijk".
 
De snelle, onaffe olieverftechniek demonstreert aan de hand van haar levensgrote opzet dat we getuige zijn van een initiatie, een levensstap die zich veel groter en gracieuzer voordoet dan ze in wezen zijn kan, een initiatie die zowel thematisch als technisch is: ook het schilderij zelf onderwerpt zich aan die initiatie.
 
 Deze ceremonie, waar de toeschouwer als getuige aan deelneemt, is onmiskenbaar een inwijding in de volwassenheid als in een socio-economische religie. De inwijdelingen kennen de ontologische of de "diepere" dimensies van die volwassenheid nog niet, maar negeren of overwinnen die in de gepaarde bezwering van angst of in narcistische zelfvoldaanheid. Natuurlijk, daar is religie ook voor. Maar de schilderijen, als "exposures" van de liturgie van metafysicaloze lifestyle, plaatsen hun figuranten in een, nogmaals, filmisch licht.
 
Hun verhaal is veelomvattender dan wat we op het eerste gezicht zien. Net als de klassieke surrealistische objecten door hun dramatische schaalvergroting bezield of persoonlijk konden worden, raken deze ojectmatig gestileerde reclamepoppen opgenomen in een fluïdum van goedertierenheid, en goedertierenheid betekent hier vooral: betekenis. Hun ijzige, triviale, in laatste instantie commerciële, dus goedkope, "melige" liturgie wordt sacraal. (Het is mogelijk dat de seculiere religie die ze aanhangen het numineuze, dat ze tot elke prijs lijken te onderdrukken, juist weer te voorschijn roept).
 
Numineus, ja onheilspellend zijn deze schilderijen. Hun schilderkunstige enscenering is een optisch huwelijk tussen Buñuel en Lynch. Ik bedoel hiermee dat het alledaagse beeld deelheeft aan zijn eigen transcendentie. Het wordt niet verklaard door zichzelf, maar via de ontbrekende dimensie van een narratieve genade, die zich in het geval van de doodstille schilderijen als een aureool van alternatieve, verzoenende versies boven het povere, parmantig poserende object (ding of personage, om het even) plaatst. Daarom is het eigenlijke object zo vluchtig: het verwijst razendsnel naar de lading die het draagt.
 
De procedurele verwantschap van "laag" en "hoog" is natuurlijk een conventie van de naoorlogse populaire cultuur. Toch zijn de schilderijen ook in dit opzicht initiaties: inwijdingen in een post-popart jargon, waarin dubbelzinnigheid niet langer suspect of ironisch is, maar noodzakelijk, metafysisch, katharsisch.
 
Het is een effect van de genoemde congruentie van thema en techniek, die twee tegengestelde, elkaar omhelzende manoeuvres mogelijk maakt. Enerzijds is er de accentuering (door het schilderij, door de voorstelling, door de kijker) van goedkoopte, vluchtigheid, corrumpering, trivialiteit. Anderzijds is er de meedogenloze (gelijktijdige, maar uitstelbare) evocatie van mededogen en heiliging.  De combinatie resulteert in een portretkunst waarvan de ethische inventiviteit uitdaagt en verlokt. Een waarheid wordt een schoonheid.
 
Jacob Groot, november 1991    
 
Fermer la fenêtre / Close window